Voor docenten ·

Het probleem in de klas begint niet bij gedrag

Een klas die niet luistert, studenten die weerstand bieden, een docent die na een paar jaar opbrandt. We wijzen dan snel naar gedrag. Kirsten Cuppen, spreker op het T&E-event van 2 oktober, ziet de oorzaak dieper liggen: in pedagogiek, in taal en in de manier waarop we leraren opleiden. 

Docenten vallen uit om veel redenen: werkdruk, een lastige klas, een diverse doelgroep, weerstand. Wat die redenen gemeen hebben: je moet de hele dag scherp zijn, met 25 leerlingen tegenover je. Ben je daar niet goed op voorbereid, dan is het lastig om grenzen aan te geven. 

In gesprek met Sing-Hui Yap, CEO van Het Onderwijshuis, en Soraya Sie, manager van De Academie, maakt Kirsten duidelijk dat het gedrag van studenten niet het eigenlijke probleem is. De sleutel ligt in aandacht voor zowel gedrag als pedagogiek. Zoals Kirsten zegt: “Als je de klas niet onder controle hebt, kun je leerlingen ook niets bijbrengen.” 

Een opleiding vol vakinhoud 

De basis wordt gelegd op de lerarenopleiding. Het grootste deel daarvan gaat over vakinhoud. Voor pedagogiek en didactiek is te weinig ruimte, terwijl die juist het fundament vormen. Nieuwe docenten kennen hun vak dus goed, maar zijn minder voorbereid op de groep die voor hen zit. En die groep wordt breder en diverser, wat steeds meer differentiatie vraagt.

Taal als sleutel

Kirsten koppelt gedrag aan taal. De basisvaardigheden moeten beter, maar dat lukt niet door simpelweg meer van hetzelfde aan te bieden. Toen de basisschool waar ze werkte een onvoldoende van de inspectie kreeg, moesten creatieve vakken wijken voor extra taal, spelling en lezen. Het resultaat: leerlingen kregen een hekel aan lezen. Kirsten betwijfelt dan ook of steeds meer extra lesuren de oplossing zijn. 

Lezen moet aantrekkelijk blijven. Kirsten nam haar mbo-studenten mee naar de bibliotheek en liet ze zelf kiezen: een stripboek, een handboek over boksen, een tijdschrift over machines. “Lezen is lezen.” 

De docent speelt daarin een sleutelrol. Wie aansluit bij de belevingswereld van de student, of bij het beroep waarvoor die leert, maakt taal betekenisvol. 

Alles is taal, ook in het mbo

Burgerschap laat zien hoe taal overal in zit. Bij het Koning Willem I College (bbl) was er slechts twee uur per week voor Nederlands, loopbaanoriëntatie en burgerschap samen. Door een tekst over een burgerschapsthema te lezen, erover in gesprek te gaan en dat te koppelen aan het beroep, was de cirkel rond. 

Dat lukt in het mbo makkelijker dan in het vo, ziet Kirsten. In het vo werken de clusters Nederlands, Engels en wiskunde weinig samen, terwijl begrijpend lezen in elk vak terugkomt. 

Wat moet er veranderen

Kirstens agenda begint bij de lerarenopleiding. Veel lerarenopleiders hebben zelf nooit voor een vo- of mbo-klas gestaan. In Amsterdam is het plan dat zij één dag per week in het vo of mbo werken. Zo blijven ze verbonden met de praktijk en kunnen ze hun onderzoek daaraan koppelen. Wat Kirsten betreft gebeurt dat op veel meer plekken. 

Verder pleit ze voor: 

  • Taal en burgerschap in alle lerarenopleidingen. Of je nu wiskunde of geschiedenis geeft: taal is de basis. 
  • Meer ruimte voor pedagogiek. Natuurlijk moet je de lesstof beheersen, maar vakkennis alleen is niet genoeg om goed les te geven. 
  • Een mastertitel voor iedere docent. Pedagogiek en onderzoeksvaardigheden horen erbij. Wat haar betreft wordt de opleiding daarvoor met een jaar verlengd. 

Tot slot roept ze docenten op om realistisch voor het beroep te kiezen. Docenten kunnen niet alleen klagen of staken, maar moeten ook de mooie verhalen vertellen. “We doen iets heel waardevols.” 

Begin niet met lesgeven

Wat kan Het Onderwijshuis haar vijfhonderd docenten in het veld meegeven? Op die vraag van Sing en Soraya geeft Kirsten een advies dat tegenstrijdig klinkt: begin vooral niet met lesgeven. “Je komt Nederlands geven, maar Nederlands is eigenlijk het gevolg. Het begint bij jezelf.” 

Kirsten kreeg vaak te horen dat ze strenger moest zijn. Maar omdat ze niet autoritair is, werd ze juist uitgelachen. Pas toen ze wist waar ze voor staat en hoe ze zich wil opstellen, kon ze zichzelf zijn en verbinding maken. 

Daarna kijk je naar wie er voor je zit: de leerling wiens ouders net gescheiden zijn, of de leerlingen die net ruzie hebben gehad op het schoolplein. Begin je meteen met de lesstof, dan raak je hen kwijt.

Zo maak je kennis met een nieuwe klas
  1. Vertel iets over jezelf en stel veel vragen. Hoe persoonlijk je daarin bent, bepaal je zelf. 
  2. Vraag de klas: hoe denken jullie dat ik ben? En waar komt dat beeld vandaan? 
  3. Ontleed samen gedrag. Wie ben je, hoe kom je over en wat doe je? 
  4. Vraag wat studenten van je nodig hebben en bedenk samen de regels. Hebben ze bijvoorbeeld behoefte aan structuur of aan een bepaalde werkvorm? Maak samen afspraken, in plaats van strafstreepjes op het bord te zetten. 
  5. Vraag hoe lang ze kunnen luisteren. Vaak is dat slechts 10 tot 15 minuten. Spreek af dat ze je mogen zeggen wanneer het genoeg is. 

Zo werk je vanuit respect en samenwerking, niet vanuit autoriteit. Dan blijkt gedrag ineens een veel kleiner probleem.